Wenen staat vol gebouwen die eruitzien alsof ze rechtstreeks uit het oude Griekenland, Rome of de renaissance zijn overgenomen. Kijk naar het Parlement, het stadhuis, de universiteit of het Kunsthistorisches Museum en je begrijpt meteen waar negentiende-eeuwse architecten hun inspiratie vandaan haalden. Mooi, indrukwekkend en vooral heel plechtig.
Maar rond 1900 had een jonge generatie kunstenaars en architecten er genoeg van. Waarom moest een moderne stad zich voortdurend verkleden als het verleden? Waarom mocht kunst alleen in musea hangen? En waarom zou een koffiekopje, stoel of stationsgebouw niet net zo zorgvuldig ontworpen kunnen worden als een schilderij?
Uit die onvrede ontstond een van de spannendste periodes uit de Weense cultuurgeschiedenis. Jugendstil, de Wiener Secession, de Wiener Werkstätte en het vroege modernisme veranderden niet alleen de kunst, maar ook het straatbeeld van Wenen. Wie weet waar hij moet kijken, ontdekt hun invloed nog altijd op gevels, metrostations, in kerken en zelfs in Weense cafés.
Eerst even: wat is Jugendstil?
Jugendstil is grofweg de Duitstalige variant van de internationale art nouveau. De naam is afgeleid van het Duitse kunsttijdschrift Jugend, dat vanaf 1896 verscheen. In Frankrijk en België spreken we meestal over art nouveau, in Italië over stile Liberty en in Oostenrijk en Duitsland over Jugendstil.
De stroming ontstond aan het einde van de negentiende eeuw als reactie op het historisme. Kunstenaars wilden niet langer stijlen uit eerdere eeuwen kopiëren, maar iets maken dat bij hun eigen tijd paste.
Je herkent Jugendstil vaak aan:
- Golvende lijnen en organische vormen
- Bloemen, bladeren en dieren
- Vrouwelijke figuren met lange haren en sierlijke gewaden
- Geometrische patronen
- Goud, mozaïek en decoratief tegelwerk
- Belettering die speciaal voor het gebouw of kunstwerk werd ontworpen
- De combinatie van architectuur, kunst en gebruiksvoorwerpen
Toch ziet de Weense Jugendstil er anders uit dan de uitbundige art nouveau in bijvoorbeeld Parijs of Brussel. In Wenen werden de vormen al snel strakker en geometrischer. Naast bloemen en sierlijke lijnen verschenen vierkanten, rasters en symmetrische patronen. Daarmee vormde de Weense variant een belangrijke stap naar het modernisme.
Een stukje Athene aan de Ringstraße
Wie wil begrijpen waartegen de jonge Weense kunstenaars in opstand kwamen, hoeft alleen maar naar het Parlementsgebouw te kijken.
Architect Theophil Hansen ontwierp het alsof hij een deel van de klassieke oudheid naar de Ringstraße had verplaatst. De zuilen, driehoekige gevelvelden, beelden en Pallas Athene voor de ingang verwijzen allemaal naar het oude Griekenland, dat in de negentiende eeuw werd gezien als de bakermat van de democratie.
Hansen kende die wereld goed. Voordat hij zich in Wenen vestigde, woonde en werkte hij jarenlang in Athene. Voor het Parlementsgebouw gebruikte hij geen letterlijke kopie van één bepaalde tempel, maar een complete verzameling vormen en symbolen uit de Griekse oudheid.
Binnen gaat die historische enscenering verder. De oude vergaderzaal werd vormgegeven als een antiek theater. Tussen de zuilen staan beelden van Romeinse keizers, politici en staatsmannen. Niet alles wat op kostbaar marmer lijkt, is dat overigens ook. Op verschillende plekken werd met gemarmerd stucwerk en schildertechnieken de uitstraling van natuursteen nagebootst.
De 24 enorme zuilen in de centrale Säulenhalle zijn daarentegen wél echt. Iedere zuil werd uit één blok roodgrijs marmer uit Adnet gehouwen, is ongeveer 8,5 meter hoog en weegt ruim 16 ton. Twee zuilen gingen tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren en werden later met steen uit dezelfde groeve vervangen. Oostenrijks Parlement
Het Parlement is een schoolvoorbeeld van historisme: een gebouw dat gezag en betekenis ontleent aan een verheerlijkt verleden. Voor jonge architecten en kunstenaars begon die manier van bouwen steeds meer als een verkleedpartij te voelen. Waarom moest een moderne hoofdstad eruitzien als het oude Athene, Rome of Florence?
Het antwoord op die vraag werd de Wiener Moderne.
De Wiener Secession: afscheid van het gevestigde kunstwereldje
In 1897 stapte een groep kunstenaars uit het conservatieve Künstlerhaus. Ze vonden dat vernieuwende kunstenaars daar nauwelijks een kans kregen en richtten daarom een eigen vereniging op: de Wiener Secession.
Tot de oprichters behoorden onder anderen Gustav Klimt, Koloman Moser, Josef Hoffmann en Joseph Maria Olbrich. Hun doel was niet één nieuwe stijl opleggen. Ze wilden vooral vrijheid, ruimte voor experiment en aansluiting bij moderne kunst uit andere Europese landen.
Hun motto staat nog altijd boven de ingang van het Secessionsgebouw:
Der Zeit ihre Kunst. Der Kunst ihre Freiheit.
Oftewel: iedere tijd zijn kunst, iedere kunst haar vrijheid.
Het Secessionsgebouw
Joseph Maria Olbrich ontwierp aan de Friedrichstraße een eigen tentoonstellingsgebouw voor de vereniging. Het witte, bijna blokvormige gebouw met zijn opvallende gouden koepel was totaal anders dan de paleizen langs de Ringstraße.
Weners gaven de koepel al snel spottende bijnamen als Krauthappel, oftewel koolkop. Inmiddels behoort het gebouw tot de bekendste voorbeelden van Weense Jugendstil.
Aan de buitenkant zijn verschillende symbolen verwerkt. De laurierbladeren verwijzen naar overwinning, waardigheid en de god Apollo. De drie gorgonen boven de ingang staan voor schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur.
Binnen bevindt zich het beroemde Beethovenfries van Gustav Klimt. Hij maakte dit werk in 1902 voor een tentoonstelling die volledig aan Beethoven was gewijd. Architectuur, schilderkunst, beeldhouwkunst en muziek moesten samen één kunstwerk vormen. Dat idee, het Gesamtkunstwerk, zou binnen de Weense vernieuwingsbeweging een centrale rol gaan spelen. Wiener Secession.
Gustav Klimt en het gouden Wenen
Gustav Klimt is waarschijnlijk de bekendste kunstenaar van de Wiener Secession. Zijn schilderijen combineren menselijke figuren met goud, patronen, symboliek en decoratieve vormen. Het bekendste voorbeeld is De kus, dat in het Oberes Belvedere hangt.
Klimt was echter meer dan de schilder van romantische gouden taferelen. Zijn werk kon sensueel, provocerend en voor die tijd behoorlijk omstreden zijn. Schilderijen die hij maakte voor de Universiteit van Wenen werden afgewezen, omdat ze te duister, te erotisch en onvoldoende verheffend zouden zijn.
Wie Klimt in Wenen wil zien, kan terecht bij:
- Het Oberes Belvedere voor De kus en Judith
- De Secession voor het Beethovenfries
- Het Leopold Museum voor schilderijen, tekeningen en werk van tijdgenoten
- Het Wien Museum voor onder meer het portret van Emilie Flöge
- Het Kunsthistorisches Museum voor de schilderingen boven het trappenhuis
Vooral dat laatste wordt gemakkelijk over het hoofd gezien. De jonge Klimt werkte met zijn broer Ernst en Franz Matsch aan de decoratie tussen de bogen en zuilen van het trappenhuis. Hier zie je hoe hij zich nog vóór de oprichting van de Secession binnen de officiële Weense kunstwereld ontwikkelde.
Otto Wagner: architectuur moet bij haar eigen tijd passen
Otto Wagner vormt de brug tussen het historisme, de Jugendstil en de moderne architectuur. Aan het begin van zijn carrière ontwierp ook hij gebouwen met historische stijlelementen. Later raakte hij ervan overtuigd dat architectuur moest aansluiten bij het moderne leven.
Nieuwe bouwmaterialen, openbaar vervoer en de groei van de stad vroegen volgens Wagner om een nieuwe vormentaal. Een gebouw moest niet alleen mooi zijn, maar ook logisch en bruikbaar.
Zijn invloed is op verschillende plekken in Wenen nog duidelijk zichtbaar.
De Otto Wagner-paviljoens op Karlsplatz
De twee paviljoens aan de Karlsplatz werden gebouwd als onderdeel van de Wiener Stadtbahn. Wagner combineerde hier een moderne staalconstructie met wit marmer, goudkleurige ornamenten en groene decoraties.
De paviljoens stonden oorspronkelijk op een iets andere hoogte. Bij de aanleg van de metro dreigden ze te verdwijnen, maar uiteindelijk werden ze afgebroken en later opnieuw opgebouwd. Ze staan nu enkele meters hoger dan vroeger.
Wie goed kijkt, ziet hoe Wagner techniek en decoratie samenbracht. Het zijn functionele stationsgebouwen, maar tegelijkertijd zorgvuldig ontworpen visitekaartjes voor de moderne stad.
Het Majolikahaus
Aan de Linke Wienzeile 40 staat het bekendste woongebouw van Otto Wagner. De gevel van het Majolikahaus is bedekt met keramische tegels waarop roze bloemen en groene bladeren zijn afgebeeld.
Die tegels waren niet alleen decoratief. Ze maakten de gevel ook gemakkelijker schoon in een stad met steeds meer stof, rook en vervuiling. Zelfs achter de bloemrijke buitenkant zat dus een praktische gedachte.
Bekijk meteen ook het naastgelegen gebouw op nummer 38. De gevel met gouden ornamenten en medaillons werd mede vormgegeven door Koloman Moser. Samen laten de twee panden mooi zien hoe veelzijdig Weense Jugendstil kon zijn.
De Postsparkasse
Bij de Österreichische Postsparkasse aan de Georg-Coch-Platz werd Wagner een stuk soberder. De gevel bestaat uit dunne platen natuursteen die zichtbaar met aluminium bouten zijn bevestigd. Die bouten lijken constructief noodzakelijk, maar zijn tegelijk onderdeel van het ontwerp.
Binnen ontwierp Wagner een lichte centrale hal van glas, staal en aluminium. Zelfs de verwarmingsroosters, deurklinken, balies en meubels werden in de architectuur meegenomen.
De Postsparkasse is daardoor veel minder uitbundig dan het Majolikahaus. Juist hier zie je hoe Jugendstil overging in het functionele modernisme van de twintigste eeuw.
De Kirche am Steinhof
Op het terrein van het psychiatrische ziekenhuis op de Steinhofgronden staat een van Wagners bijzonderste gebouwen: de Kirche am Steinhof, officieel de Kirche zum Heiligen Leopold.
De kerk heeft een witte gevel, een grote gouden koepel en glas-in-loodramen van Koloman Moser. Wagner paste het interieur aan de patiënten van het ziekenhuis aan. Zo werden scherpe hoeken vermeden, zijn er gemakkelijk schoon te maken oppervlakken en konden hulpverleners snel ingrijpen.
Daarmee is de kerk niet alleen een kunstwerk, maar ook een voorbeeld van architectuur die vanuit het gebruik werd ontworpen.
Wiener Werkstätte: kunst tot aan het koffielepeltje
In 1903 richtten Josef Hoffmann, Koloman Moser en zakenman Fritz Waerndorfer de Wiener Werkstätte op. Dit was geen kunstenaarsvereniging zoals de Secession en ook geen afzonderlijke bouwstijl. Het was een productieatelier en commerciële onderneming waarin kunstenaars en ambachtslieden samenwerkten.
Ze ontwierpen onder meer:
- Meubels
- Servies en bestek
- Lampen
- Sieraden
- Textiel en kleding
- Boekbanden
- Affiches en ansichtkaarten
- Complete winkel- en woninginterieurs
Het idee was dat kunst niet ophield bij het schilderij aan de muur. Alles in een ruimte moest op elkaar zijn afgestemd, van het gebouw en de meubels tot het behang, de deurklink en het koffiekopje.
Dat klinkt bijna als een vroege vorm van modern interieurdesign en huisstijlontwikkeling. De Wiener Werkstätte ontwierp niet zomaar losse voorwerpen, maar complete werelden. In het hotel The Companion in Mariahilf is met veel aandacht in de stijl van de Wiener Werkstätte gerenoveerd.
Mooi, modern en bijzonder duur
De idealen van de Wiener Werkstätte waren ambitieus. Goed ontworpen producten moesten het dagelijks leven verbeteren en ambachtelijk werk moest weer serieus worden genomen.
In de praktijk waren veel voorwerpen zo kostbaar dat vooral rijke klanten ze konden betalen. Het zorgvuldige handwerk, de dure materialen en de kleine oplages maakten massaproductie vrijwel onmogelijk. De onderneming had daardoor voortdurend financiële problemen en ging in 1932 failliet.
Het beste overzicht van de Wiener Werkstätte vind je tegenwoordig in het MAK, het Museum für angewandte Kunst. Daar zijn meubels, stoffen, glaswerk, zilver, sieraden, affiches en complete interieurontwerpen te zien.
Josef Hoffmann en de liefde voor het vierkant
Architect Josef Hoffmann was een van de belangrijkste ontwerpers van de Wiener Werkstätte. Waar de Franse art nouveau bekendstaat om golvende lijnen, koos Hoffmann steeds vaker voor strakke geometrische vormen.
Vooral het vierkant kwam zo vaak terug dat hij de bijnaam Quadratl-Hoffmann kreeg.
Zijn bekendste Gesamtkunstwerk is het Palais Stoclet in Brussel. Hoffmann ontwierp niet alleen het gebouw, maar ook grote delen van het interieur. Gustav Klimt maakte mozaïeken voor de eetkamer en kunstenaars van de Wiener Werkstätte leverden meubels en gebruiksvoorwerpen.
In en rond Wenen is Hoffmann onder meer terug te vinden bij:
- Sanatorium Purkersdorf, net buiten de stad
- De villa’s van de kunstenaarskolonie op de Hohe Warte
- De voormalige woning van Koloman Moser aan de Hohe Warte
- Meubels en gebruiksvoorwerpen in het MAK
Vooral Sanatorium Purkersdorf laat zien hoe snel Hoffmann afscheid nam van de uitbundige Jugendstil. Het gebouw is wit, strak en vrijwel volledig opgebouwd uit rechthoeken en vierkanten.
Koloman Moser: de alleskunner van de Weense kunstwereld
Koloman Moser was schilder, graficus, meubelontwerper, decorateur en medeoprichter van zowel de Wiener Secession als de Wiener Werkstätte. Hij ontwierp affiches, tijdschriften, glas-in-loodramen, meubels, serviezen, postzegels en bankbiljetten.
Zijn werk laat precies zien wat de kunstenaars rond 1900 wilden bereiken: de grens tussen hoge kunst en toegepaste kunst moest verdwijnen.
Een stoel, affiche of glas-in-loodraam kon volgens hen net zo artistiek waardevol zijn als een schilderij. Mosers werk is onder meer te zien in het MAK, het Leopold Museum en in de Kirche am Steinhof.
Kleine Jugendstil-details in de stad
Niet ieder voorbeeld van Jugendstil is een groot museum of beroemd gebouw. Tijdens een wandeling door Wenen kom je ook minder bekende gevels en decoraties tegen.
De Ankeruhr
Op de Hoher Markt verbindt de Ankeruhr twee gebouwen van de voormalige verzekeringsmaatschappij Anker. De klok werd ontworpen door Franz Matsch en toont twaalf historische figuren die gedurende de dag langzaam over de brug bewegen.
Om twaalf uur ’s middags trekken alle figuren met muziek voorbij. De combinatie van techniek, schilderkunst, mozaïek en decoratie maakt de klok een typisch Gesamtkunstwerk uit de tijd van de Wiener Moderne.
De Engel-Apotheke
Aan de Bognergasse 9 bevindt zich een van de mooiste Jugendstil-gevels in het centrum. Op de gevel van de Engel-Apotheke staan twee engelen in kleurrijk mozaïek afgebeeld. Hun jurken lopen bijna over in de bloemen en ornamenten om hen heen.
Het is maar een smalle gevel, maar juist daarom gemakkelijk voorbij te lopen.
Het Zacherlhaus
Het Zacherlhaus aan de Brandstätte werd ontworpen door Jože Plečnik, een leerling van Otto Wagner. De donkere granieten gevel, gebogen erkers en het beeld van aartsengel Michaël maken het gebouw opvallend modern voor zijn tijd.
Het is minder bloemrijk dan klassieke Jugendstil en laat opnieuw zien hoe de Weense architectuur opschoof naar strakkere vormen.
De Hohe Brücke
De Hohe Brücke overspant de Tiefer Graben in het centrum van Wenen. De brug werd aan het begin van de twintigste eeuw vernieuwd en kreeg elegante Jugendstil-versieringen, wapenschilden en decoratief metaalwerk.
Omdat er gewoon verkeer overheen rijdt, valt nauwelijks op dat het feitelijk een zorgvuldig vormgegeven architectonisch kunstwerk is.
Adolf Loos had genoeg van al die versiering
Adolf Loos wordt regelmatig in één adem genoemd met de Weense Jugendstil, maar eigenlijk stond hij er juist kritisch tegenover. Hij vond dat architecten en ontwerpers te veel aandacht besteedden aan ornament en decoratie.
Volgens Loos moest de vorm van een gebouw voortkomen uit zijn functie, materialen en indeling. Versiering om de versiering vond hij vaak overbodig.
Het Looshaus aan de Michaelerplatz
Het bekendste voorbeeld is het Looshaus tegenover de Hofburg. Toen het gebouw in 1910 verscheen, vonden veel Weners de gevel kaal en onaf. Vooral het ontbreken van versiering rond de ramen leidde tot kritiek. Het gebouw kreeg spottend de bijnaam Haus ohne Augenbrauen: het huis zonder wenkbrauwen.
Volgens een beroemde anekdote zou keizer Franz Joseph zo’n hekel aan het gebouw hebben gehad dat hij de gordijnen aan die kant van de Hofburg gesloten hield. Een mooi Weens verhaal, maar niet overtuigend historisch bewezen.
Het Looshaus laat vooral zien hoe groot de omslag was. Slechts enkele jaren na de gouden koepels, bloemen en mozaïeken van de Jugendstil verscheen er midden in Wenen een gevel die vooruitwees naar de moderne architectuur.
De American Bar
Aan de Kärntner Durchgang ligt de piepkleine American Bar, ook bekend als de Loosbar. Loos maakte de beperkte ruimte optisch groter met spiegels, glanzend hout, messing, onyx en een geometrisch plafond.
Hoewel hij ornamenten bekritiseerde, was Loos dus zeker niet tegen luxe of mooie materialen. Hij vond vooral dat materialen voor zichzelf moesten spreken en niet achter overbodige decoratie moesten verdwijnen.
Café Museum
Loos ontwierp ook het oorspronkelijke interieur van Café Museum bij de Karlsplatz. Het café was opvallend eenvoudig ingericht en werd daarom spottend Café Nihilismus genoemd.
Kunstenaars als Gustav Klimt, Egon Schiele en Oskar Kokoschka kwamen er regelmatig. Het huidige interieur is niet volledig hetzelfde als dat van Loos, maar de plek hoort nog altijd bij het verhaal van de Wiener Moderne.
Van Jugendstil naar expressionisme
De vernieuwing stopte niet bij Klimt, Wagner en Hoffmann. Een volgende generatie kunstenaars ging nog verder.
Egon Schiele en Oskar Kokoschka namen afstand van de elegante decoratie en het goud van Klimt. Hun schilderijen werden hoekiger, rauwer en emotioneler. Lichamen werden vervormd, kleuren onnatuurlijk en gezichten soms bijna ongemakkelijk direct.
Daarmee ontstond het Oostenrijkse expressionisme. Het was geen onderdeel van de Jugendstil, maar wel een gevolg van dezelfde bevrijding. Zodra kunstenaars niet langer verplicht waren de gevestigde smaak te volgen, konden ze ook minder mooie, donkere en confronterende kanten van het leven laten zien.
Het Leopold Museum is de beste plek in Wenen om deze overgang te bekijken. Je ziet er werk van Klimt, de Wiener Werkstätte en een grote verzameling schilderijen en tekeningen van Egon Schiele.
Een Jugendstil-wandeling door Wenen
Veel belangrijke voorbeelden liggen op loopafstand van elkaar. Een mooie wandeling begint bij het MAK, waar je eerst de ontwerpen van de Wiener Werkstätte kunt bekijken.
Loop vervolgens via de Postsparkasse naar de Hoher Markt voor de Ankeruhr. Vanaf daar wandel je langs het Zacherlhaus en de Engel-Apotheke naar de Michaelerplatz, waar het sobere Looshaus recht tegenover de uitbundige Hofburg staat.
Ga daarna via de Ringstraße langs het Parlementsgebouw. Daar zie je nog één keer de historische architectuur waartegen de vernieuwers zich afzetten. Via het MuseumsQuartier en het Majolikahaus bereik je uiteindelijk de Secession en de Otto Wagner-paviljoens op de Karlsplatz.
Zo loop je in een paar uur door bijna een halve eeuw architectuurgeschiedenis: van het klassieke Griekenland van het Parlement via de gouden Jugendstil naar de strakke lijnen van het modernisme.
Als je het ons vraagt…
Jugendstil in Wenen gaat over veel meer dan Gustav Klimt en zijn gouden schilderijen. Het is het verhaal van een stad die rond 1900 afscheid probeerde te nemen van haar eigen verleden.
Dat lukte niet in één keer. Otto Wagner versierde moderne staalconstructies nog met bloemen en goud. Josef Hoffmann combineerde ambacht met bijna industriële geometrie. De Wiener Werkstätte wilde kunst bereikbaar maken voor het dagelijks leven, maar maakte producten die bijna niemand kon betalen. En Adolf Loos zette zich af tegen ornament, terwijl hij zelf interieurs vol kostbare materialen ontwierp.
Juist die tegenstrijdigheden maken deze periode zo interessant. Kijk tijdens een wandeling door Wenen daarom niet alleen naar de bekende paleizen. Let op gouden letters boven een ingang, bloemen op een gevel, een opvallende deurklink of een oud stationspaviljoen. In Wenen kan zelfs het kleinste detail onderdeel zijn van een veel groter kunstwerk.